De Spaanse renaissancemuziek overleefde vooral in liederencollecties die bekend staan als Cancioneros. Eén van de belangrijkste is de Cancionero de Palacio, die behoorde aan het hof van Isabel van Castilië. Deze bevat bijna 500 liederen en werd geschreven tussen ongeveer 1480 en 1520.
De Cancionero de Colombina was in het bezit van de zoon van Columbus, en is een overgang tussen de stijl van Cancionero de Palacio en de post-Aragonese Ars Nova. In de Cancionero de Segovia, van ongeveer 1500, staan niet alleen maar Spaanstalige liederen, maar ook Vlaamse werken en motetten van beroemde componisten als Josquin en Mouton. Philips de Schone, getrouwd met de dochter van Los Reyes Católicos ( de katholieke koningen Ferdinand en Isabella), heeft de traditie van een Vlaamse Kapel in Spanje ingesteld. Karel V had ook een Vlaamse Kapel bij zich. Deze situatie was uniek in Europa, een hof met twee stijlen. Karel V ging overal naar toe met zijn Kapel.
In het midden van de 16de eeuw veranderde de smaak en de stijl, zowel van de muziek als van de poëzie. Uit deze tijd komt de Cancionero de Medinaceli en die van de Hertog van Calabria (bekend als Cancionero de Uppsala). Tegelijkertijd ontwikkelt zich het repertoire van de vihuela die ook op polyfonische wijze de zanger begeleidde.
De liederen van rond 1500 kunnen zijn de villancico, de canción, de romance, de strambote. De villancico komt gedeeltelijk uit de Arabische zejel. De vorm van de villancico kan heel anders zijn in het ene of het andere geval, maar in grote lijnen kunnen we zeggen dat deze bestaat uit een refrein en een aantal coupletten (estribillo en coplas). Het refrein bestaat uit 2 of 3 verzen. De canción daarentegen heeft een refrein van 4 verzen en 2 stofes die werken als coupletten, waarna de muziek van het refrein herhaald wordt met een andere tekst, dus een ABBA vorm. De romance bestaat uit een aantal coupletten van 4 verzen. In de romance worden verhalen verteld; dat kan een liefdesverhaal zijn, maar ook een relaas uit de geschiedenis, een religieus verhaal of over een oorlog. Beroemd zijn de romances over de val van Granada en de lament van de Moorse koning. De estrambotes zijn italiaanse eenvoudige liederen die vaak in het italiaans of ‘itañol’ gezongen worden. Bestaat nog de mogelijkheid om alle genres in een grote werk te mengen, dat is de ensalada, letterlijk “salade”.
SIMILE EST REGNUM CAELORUM /FRANCISCO GUERRERO
De kerkmuziek beslaat een groot deel van het repertoire in Spanje. Veel van deze muziek moet nog ontdekt worden. Hoewel we niet kunnen zeggen dat de religieuze Spaanse muziek grote invloed in Europa heeft gehad, is de kwaliteit en kwantiteit van de composities enorm, groter dan wat we ons nu kunnen voorstellen, want veel muziek is verloren gegaan bij grote catastrofes, zoals bij de brand van Madrid of de aardbeving van Lissabon. Maar vooral ligt deze muziek nog verborgen in donkere archieven van kathedralen en kleinere Spaanse kerken. Dit
verhaal wordt ineens veel groter als we Latijns-Amerika nog erbij tellen. In de nieuwe wereld is de renaissance een tijd van verovering, organisatie van het imperium en evangelisatie van Indianen. In de 17de eeuw begint men daar te componeren en de 18de eeuw is de meest productieve periode, vooral met de komst van de Jezuïeten en de missies. Men denkt dat in de 18de eeuw meer muziek in Latijns-Amerika werd geschreven dan in Europa.
Aan beide oevers was de muziek van de Sevillaanse componist Francisco Guerrero beroemd. Tot ver in de 19de eeuw werd zijn muziek nog in de kerken gezongen en er zijn kopieën van zijn motetten en liederen in de belangrijkste kerken van Perú, Bolivia, Guatemala en Mexico. Guerrero is oud geworden, hij heeft zijn leven mogen bekronen met een reis naar Jeruzalem. Hij was de grote maestro de capilla van de kathedraal van Sevilla, waaruit de schepen naar de Nieuwe Wereld voeren. Guerrero was niet zomaar een muziekleraar en componist: hij behoorde in zijn volwassen jaren tot de elite van de kerk, hij had direct contact met kardinalen en bisschoppen. Zijn motetten zijn van een zeer hoge kwaliteit en zijn stijl is de brug tussen Cristobal de Morales (jarenlang zanger bij de Sixtijnse Kapel, en later kapelmeester van Toledo en leraar van Guerrero) uit de late renaissance en de eerste Spaanse barokcomponist Tomás Luis de Victoria (kapelmeester en zangdocent aan het Collegio germanico in Rome en later bij het klooster van de zus van Karel V in Madrid).